De collecties mineralogie
Historische schets
De eerste natuurhistorische verzamelingen die werden samengebracht in wat later het Koninkrijk België zou worden, stammen uit de Oostenrijkse periode. In 1741 bracht Karel van Lotharingen, gouverneur van de Zuidelijke Nederlanden onder keizerin Maria Theresia, een kabinet voor natuurkunde en natuurlijke historie onder in zijn Brusselse residentie, het paleis van Nassau. De verzamelingen van dit 'rariteitenkabinet' omvatten bovendien kunstvoorwerpen zoals schilderijen, wapenrustingen en penningen. Toen Karel van Lotharingen overleed in 1780, werden zijn verzamelingen eigendom van de Academie voor Wetenschappen en Letteren, die Maria Theresia enkele jaren voordien had gesticht.
Na de Franse invasie in 1794 vielen verwaarlozing en gedeeltelijke plundering dit kabinet ten deel. Wat overbleef van de verzamelingen werd toevertrouwd aan de 'Ecole centrale', die in 1797 te Brussel was opgericht door de nationale conventie. Deze Ecole centrale kende maar een kortstondig bestaan : vanaf 1802 werd het kabinet al onder het gezag van de Brusselse burgemeester geplaatst, om in 1811 eigendom te worden van de stad. In de 19de eeuw en vooral onder de Hollandse bezetting breidden de verzamelingen regelmatig uit, dankzij het aanbrengen van overzeese stukken.
In 1842, enkele jaren na de onafhankelijkheid van het land, stond de stad Brussel het natuurhistorisch kabinet af aan de Belgische Staat, die in 1842 het Natuurhistorisch Museum oprichtte. Het paleis van Nassau werd te krap om de verzamelingen onder te brengen, die steeds meer uitbreidden : daarom verhuisde het kabinet in 1891 naar een oud klooster. Sindsdien werden de tentoonstellingszalen herhaaldelijk uitgebreid en werden vooral lokalen gebouwd voor onderzoek.
Voor mineralogie vindt men geen spoor meer van de stalen uit de oorspronkelijke verzameling van Karel van Lotharingen. De oudste stalen komen uit Rusland en zijn het resultaat van een schenking uit 1828 van kroonprins Willem van Oranje, zoon van de koning der Nederlanden.
Van bij de stichting van het Koninklijk Natuurhistorisch Museum breidde de mineralogische verzameling steeds meer uit, dankzij legaten, schenkingen , aankopen, uitwisselingen, en door veldwerk van de wetenschappelijke medewerkers van de instelling. Het ritme van de aanwinsten is nauw verbonden met de specialiteit van de titularis (soms stond een paleontoloog of een petrograaf aan het hoofd van de afdeling mineralogie) en met het dynamisme van de conservator.
De eerste specimens die werden verworven na de oprichting van het Museum in 1842, komen uit een schenking van mineralen uit de Andes (Peru en Chili), door baron de Terloo in 1846. De geschiedenis van de verzameling wordt dan gekenmerkt door enkele belangrijke aanwinsten, zoals in:
- 1859: 500 Duitse mineralen van de Tamnau-verzameling
- 1874: mineralenverzameling uit Hongarije geschonken door prof. Zisper de Neusohl (nu Banska Bystrica in Slowakije)
- 1877: gift van de heer Sève, Belgisch consul in Chili, van mineralen uit dat land
- 1885: verwerving van mineralen van Vesuviuslava (Camaldoli-verzameling)
- 1886: 2000 Belgische specimens meer bepaald uit de zinkmijn van Bleiberg (aankoop Dory)
- 1891: aankoop van 2300 stalen uit de Deby-verzameling
- 1891: gift van 120 stalen door Belgische consuls uit een tiental landen
- 1898: aankoop van de Crocq-verzameling
- 1950: legaat van de verzameling van Julien Drugman die 6.000 gekristalliseerde specimens bevat, tienduizenden tweelingkristallen en een belangrijke documentatie
- 1958: aankoop van de Tomballe-verzameling
- 1991: gift door Georges Vanacker van een verzameling van 12.000 specimens
In het begin van de tachtiger jaren werd een nieuwe publiekszaal voor mineralogie ingericht. Talrijke mooie en soms omvangrijke stukken werden verworven. Momenteel wordt deze zaal gerenoveerd, dankzij Lottokredieten. De presentatie werd gewijzigd en sommige thema's als meteorieten en edelstenen werden ruim ontwikkeld.
In 2003 bevat de mineralogische verzameling van het Museum meer dan 25.000 specimens uit het buitenland, 5.000 mineralen die een beeld geven van de Belgische vindplaatsen, waaronder 18 specimens die voor het eerst in België werden ontdekt en beschreven, de tweelingkristallen van de Drugman-verzameling, 500 geslepen edelstenen, 123 meteorieten, waaronder de drie die in België werden gevonden, en kostbare stalen van maanstenen. Bovendien werd een reserve van ettelijke duizenden mineralen aangelegd bestemd voor uitwisselingen. Onder de mineralen van de verzameling noteren we de aanwezigheid van 3200 verschillende soorten (meer dan 80% van de soorten die wereldwijd werden beschreven), van honderden variëteiten en van 18 holotypes (dit zijn specimens die zijn gebruikt om een soort te definiëren).
Meer dan duizend specimens worden in de publieksruimten van het Museum tentoongesteld, terwijl de bewaarplaatsen met andere stalen op vraag toegankelijk zijn voor vorsers en studenten.