De deelnemers en hun olympische records
Hardlopen
Het jachtluipaard is het snelste landdier: 120 km/uur. Hij is vlugger dan de antilope, één van de dieren waarop hij jaagt, want die loopt bijna 90 km/uur. Een mens kan hem alleen maar met de auto of de motor volgen.
Tegen topsnelheden van 70 km/uur ontsnapt de struisvogel aan de meeste van zijn vijanden. Met zijn forse poten, soepele en buigzame knieën en slechts twee tenen per poot is hij werkelijk een hardloper.
De grévyzebra is de grootste zebrasoort. In galop haalt hij 65 km/uur, zodat hij de leeuw, zijn grote natuurlijke vijand, uit de weg kan gaan.
Over korte afstanden kan de Afrikaanse olifant 40 km/uur lopen. Dat is sneller dan een olympisch sprinter!
Tijdens de eerste moderne Olympische Spelen (1896) liep Tom Burke de 100 m in 11,8 s, hetzij bijna 30,5 km/uur. Sinds 1996 is Donovan Bailey olympisch recordhouder: hij liep de 100 m in 9,85 s; dit is bijna 36,5 km/uur.
Het konijn kan goed springen, maar ook goed lopen. Meestal rent het tegen 25 km/uur. Maar wanneer het moet vluchten, springt het veeleer en haalt dan 38 km/uur!
Langzaam maar zeker haalt een Moorse landschildpad 250 m/uur!
De slak is echt niet snel: 4,5 m/uur. Misschien weegt zijn huisje te zwaar?
Springen
De grijze reuzenkangoeroe is een springkampioen. Met zijn krachtige achterpoten springt hij zover als een bus lang is: 12 m!
De impala kan 3 m hoog en 10 m ver springen. Ze springt bovendien zelden recht vooruit: een sprong naar links, een sprong naar rechts... een geschikte techniek om aan de klauwen van de jachtluipaard te ontkomen.
De springkikker heeft lange gespierde achterpoten. Daarmee is hij kampioen: 2 m zonder aanloop!
Al springend komt de sprinkhaan vlug vooruit. Hij springt zelfs 1,20 m ver. Het is alsof wij 50 keer zo ver zouden springen dan we groot zijn.
Tijdens de eerste moderne Olympische Spelen (1896) haalde Ellery Clark met 6,35 meter goud in het verspringen. Het huidige olympisch record staat sinds 1968 op naam van Bob Beamon: 8,90 m.
Een vlo springt 20 tot 30 cm ver. Dat lijkt niet veel, maar het is wel 30 tot 200 keer haar eigen lengte (naargelang de soort waartoe ze behoort).
Een nijlpaard is veel te zwaar om te springen, maar ondanks zijn 3 ton drijft hij als een boei. Hij is daarenboven een hardloper (30 km/uur).
Schieten
Wanneer een kameleon zijn tong uitsteekt, heeft hij bijna altijd prijs. Die tong schiet tegen 100 km/uur tegen de prooi, die dan aan het kleverige uiteinde blijft plakken.
Het gehemelte en de tong van de schuttervis vormen samen een piepklein kanonnetje dat waterdruppeltjes schiet. Slaagt de schuttervis er niet in de prooi in het water te laten vallen, dan springt hij wel 30 cm hoog om ze alsnog te vangen.
De kleine mantelmeeuw is een weinig kieskeurige slokop: ze zoekt in vuilnisbakken, jat de picknick van toeristen en steelt vaak een ei uit een nest. Dit krijgt ze open door te schieten: ze vliegt omhoog met het ei in haar bek en mikt het op een steen.
De lama is vrij zachtaardig, maar spuwt om zich te verdedigen!
De bombardeerkever is een scheikundig arsenaal op poten. Bij gevaar spuit hij van wel 5 cm ver een straal prikkelend vocht op zijn aanvaller.
Bij kleiduifschieten moet de schutter in de lucht gekatapulteerde schijfjes in gebakken klei raken. Bij buks- en bij pistoolschieten probeert de schutter zijn kogels zo dicht mogelijk bij het midden van het doel te krijgen. Bij het boogschieten is het net zo!
Zwemmen
De zwaardvis is de vlugste zwemmer: bijna 130 km/uur. Duiken kan hij ook goed: hij volgt een school vissen tot op 800 m diepte!
De dolfijn zwemt met een kruissnelheid van 10 km/uur, maar in de sprint haalt hij 45 km/uur. Tijdens de jacht kan deze dolfijn 10 minuten lang zijn adem inhouden.
Van 1968 tot 2002 hebben sportzwemmers het record op de 100 m met meer dan 5 s verbeterd. Nu kunnen alleen de vlugste zwemmers meer dan 8 km/uur halen (inderdaad, niet meer dan dat).
Onder water gebruikt de koningspinguïn zijn vleugels als vinnen. Hij kruist op 7 tot 8 km/uur, met topsnelheden van 12 tot 15 km/uur. Hij is een uitstekend duiker: hij kan meer dan een uur onder water blijven en tot 200 m diep dalen.
Met een golvende beweging glijdt de zeekat heel zachtjes vooruit (2 tot 3 km/uur). Maar vluchten kan ze tegen 11 km/uur.
Oriëntatie
De rotsduif heeft niet alleen een goed oriënteringsvermogen, maar is ook een uitstekend lange-afstandsloper: in 1931 legde een reisduif in 7 dagen een traject van 11 275 km af! Wedstrijdduiven die naar hun til verlangen, stoppen niet eens om te drinken: met hun bek open scheren ze over het water!
De zalm heeft een fijne neus! Zijn reukzin brengt hem naar zijn geboorterivier terug.
De duizendpoot heeft een olifantengeheugen: hij onthoudt het aantal stappen die hij in elke richting zet.
De bonobo houdt van spoorzoeken. Als bakens gebruikt hij planten.
De oriëntatieloop is een wedstrijd tegen de tijd waarbij de atleten een spoor door het bos volgen. Mannen lopen 10 tot 20 km in 90 minuten en vrouwen 7 tot 15 km in 75 minuten.