THE STRATIGRAPHY AND ...
THE STRATIGRAPHY AND PALAEOBOTANY OF THE LATE PLEISTOCENE IN BELGIUM
R. Paepe & R. VanhoorneMemoirs of the GSB n°8 - 1967
SAMENVATTING.
De stratigrafie van de Boven-Pleistocene afzettingen in België sluit rechtstreeks aan bij deze van het Noord-Europese ruim. Deze bewering is gesteund op het voorkomen in het noordwesten van België van fluvio-marine Eem afzettingen met Tapes senescens (die de meest zuidelijk gekende uitbreiding vormen van de "Senescens Sande") en de rechtstreekse laterale correlatie van de interglaciale Rocourt bodem met deze marine formaties. Elders werden aan afzettingen, aangeduid als "Veen en grind", eveneens een Eem ouderdom toegekend op grond van palynologische bevindingen.
De afzettingen behorende tot de Laatste Glaciatie periode of Weichsel worden in de volgende litho-stratigrafische eenheden onderverdeeld : zand en grind, leem en grof zand, (venige) leem afzettingen gezamenlijk het Pleniglaciaal A (koud-vochtige sedimentatie omstandigheden) opbouwend; kris-kras gelaagde zanden, dekzand en dekleem 1 of 2, gezamenlijk het Plenigla-ciaal B (koud-droge sedimentatie omstandigheden) opbouwend; laat dekzand 1 of 2 behorend tot het Laat-Glaciaal.
Merkwaardige periglaciale horizonten vormen: keienvloer 1 met kleine vorstscheuren aan de bovengrens van de leem en grof zand afzetting; keienvloer 2 met fijne vorstscheuren aan de bovengrens van de (venige) leem afzettingen en keienvloer 3 met grote vorstscheuren aan de bovengrens van de dekzand of dekleem 1 afzettingen.
Merkwaardige bodem-vegetatie horizonten treden op: op het einde van het Eem, de Rocourt bodem; tijdens de afzetting van het leem en grof zand, de Warneton bodem en op het einde van het Pleniglaciaal A, het cryoturbaat bodem horizont (Kesselt-Zelzate - Paudorf horizont); verder een Stabroek bodem bij de aanvang van het Laat-Glaciaal.
Hieruit vloeit voort dat de Weichselperiode door een bi-cyclische sedimentatie wordt gekenmerkt: eensdeels de fase van het Pleniglaciaal A, gekenmerkt door koud-vochtige milieu omstandigheden met dominerend solifluctie processen en anderdeels de fase van het Pleniglaciaal B - Laat-Glaciaal, gekenmerkt door koud-droge milieu omstandigheden met overheersend eolische sedimentatie. Beide cycli worden verder gekenmerkt door het optreden van een extreem koude (deflatie) fase respectievelijk de keienvloer 1 met kleine vorstscheuren en de keienvloer 3 met grote vorstscheuren.