L'INTRUSION DE LA HELLE ...
L'INTRUSION DE LA HELLE (HAUTES-FAGNES, BELGIQUE) ET LA MINERALISATION CUPRO-MOLYBDENIFERE ASSOCIEE: SYNTHESE BIBLIOGRAPHIQUE, DONNEES DES SONDAGES ET INTERPRETATION GLOBALE
L. Dejonghe & A. MelchiorMemoirs of the GSB n°41 - 1996
SAMENVATTING.
De intrusie van de Helle, gelegen in het oosten van België (Hoge Venen), werd ontdekt op het einde van de XIXste eeuw. Vroegere studiën hebben aangetoond dat het om een sill gaat, met de samenstelling van kwartsdioriet of strikter genomen uit tonaliet. Aan deze intrusie is enerzijds een zwak metamorfisme geassocieerd dat zich vertaald door een gordel van verscheidene dm hoornrots, anderzijds een dynamometamorfisme, gekenmerkt door een aureool van verscheidene honderden m gedekte schisten. Daarnaast is eveneens een koper-molybdeen- mineralisatie aanwezig. Een radiometrische datering met de U-Pb-methode op zirkoon verleent die intrusie een minimum leeftijd van ontstaan rond 381 ± 16 Mj, d.w.z. Silurisch of Onder-Devoon. Tenslotte is door regionaal metamorfisme tijdens de varistische orogenese een zwake ACF-paragenese gevormd (prehniet-chloriet-epidoot).
In 1976-1977, heeft Union Minière 4 boringen gefinancierd met de bedoeling de vorm van de intrusie en haar ontginbaarheid nauwkeurig te bepa1en. Ze werden toevertrouwd aan de Geologische Dienst van België die de studie begeleidde waarvan de resultaten voorgesteld worden in deze toelichtingen verdeeld in 3 delen.
Een eerste deel bevat een bib1iographische synthese van de geologie en mineralisatie van de Hellestreek. Een tweede deel geeft de resultaten van de gedetailleerde lithologische beschrijvingen en de petrographische waarnemingen in de boringen. De diascopische waarnemingen wijzen op een belangrijke variatie van de mineralogische samenstelling, gekenmerkt door een gamma gesteenten gaande van dioriet naar kwartsdioriet en van monzodioriet naar eventueel kwartsgranodioriet. De mineralogische variaties blijken samen te gaan met magmatische differentiemechanismen (voornamelijk de gefractioneerde kristallisatie), maar ook met de ingewikkeld post-magmatisch hydrothermaal proces dat hoofdzakelijk heeft ingewerkt op het bovenste deel van de magmazui1 nu blootgelegd door erosie. Die zone wordt gekenmerkt door het voorkomen van ka1iumveldspaat. De hydrotherma1e verwering heeft eveneens geleid tot silicificatie en gedeeltelijke albitisatie, gepaard gaand met de vorming van een netwerk van gedeeltelijke aders/adertjes in het magmatische gesteente en de omgevende kwartsopelitische Reviniaan eenheden. In dit deel uiten zich ook duidelijk de lithogeochemische variaties van de stollingsgesteenten voor de metallische elementen en de driedimensionele geometrie van de intrusie. Het betreft een laccolitische sill met een omvang van ongeveer 500 m in de NO-ZW richting, in het midden maximum 125 m dik, 30° naar het ZO duikend, waarvan kleine dykes loskomen.
Een derde deel is gewijd aan de petrologische en metallogenetische interpretaties. Men kan een zeker kwalitatief parallelisme vaststellen tussen de zwak gemineraliseerde intrusie van de Helle en een klassieke koperhoudende porfier. Hoewel in het geval van de Helle, de meeste hydrothermale verweringszones vermengd en dus vrijwel niet te onderscheiden zijn, blijkt de ruimtelijke variatie van kaliumveldspaat toch te wijzen op de aanwezigheid van een beginnende potassische verwering in de randzones van de intrusie. Het telescoperen van de verschillende verweringszones is waarschijnlijk toe te schrijven aan de geringe afmetingen van de intrusie. Daar de gehalten eveneens la ag zijn (gemiddeld : Cu = O,17%; Mo = 0,02%) wordt de metaalreserve in een eerste benadering (Cu ongeveer 35 000 ton; Mo: ongeveer 4000 ton) eveneens als zeer bescheiden aanzien.