U bent hier: Home » ... » ... » ... » ... » ... » ... » Memoirs - Samenvattingen » LA FAILLE EIFELIENNE ET ...

LA FAILLE EIFELIENNE ET ...

Deze pagina naar iemand opsturen Deze pagina afdrukken

LA FAILLE EIFELIENNE ET LE MASSIF DE HERVE - SES RELATIONS AVEC LE BASSIN HOUILLER DE LIEGE

J.M. Graulich
Memoirs of the GSB n°1 - 1955

SAMENVATTING.
Van Kinkempois tot Chaudfontaine is de Eifelse storing afgebakend door een aantal massieven, gevormd door devonische gesteenten, die beschouwd werden als overschuivingsklemstukken daar men, tussen deze laatste en het houiller van het massief van Herve de gehele of gedeeltelijke afwezigheid van het Dinantiaan had vastgesteld.
De auteur meent dat deze afwezigheid toe te schrijven is aan een hiaat in de sedimentatie en niet aanstoringen. Steunende op waarnemingen aan de oppervlakte, op de studie van boringen en van de ondergrondse werken, bewijst hij dat deze devonische massieven geen overschuivingsklemstukken zijn, maar wel de westelijke uitlopers van het substratum van het steenkolenbekken van Herve, dat naar het Oosten toe onderduikt.
In het tweede deel van dit werk bestudeert de auteur de boringen van Melen, Pepinster Il en Chertal en bewijst dat het massief van Herve, in het Noorden begrensd door de storing van Agesses-Asse, een tectonische eenheid vormt die gekenschetst is door talrijke hiaten in de sedimentatie tijdens het Dinantiaan en het Namuriaan en vindt hierin een argument om te bewijzen dat dit massief overgeschoven is op een verborgen autochtone synclinale van het Houiller, waarvan de as zich tussen Melen en Pepinster moet situeren.


 
Laatst gewijzigd : 25 september 2006