Hij eet dode bladeren en andere resten die in de grond rotten.
Hij leeft onder de grond, in tuinen, moestuinen en parken...
Op
zijn gladde vochtige huid staan kleine borsteltjes waarmee hij vlug in
de grond kan wegkruipen.
Hij is geliefd bij tuiniers : zijn uitwerpselen
vormen voedsel voor de planten. Door te graven verlucht hij de bodem en
vermengt hij de verschillende lagen tuinaarde.