Zeezoogdieren - Bescherming van het mariene milieu
Walvissen en dolfijnen… ze blijven de mensen boeien! Al omstreeks 1860 bogen Belgische onderzoekers, zoals de internationaal gerenommeerde wetenschapper Pierre-Joseph Van Beneden, zich over walvissen. Anderhalve eeuw later verrichten wetenschappers van het KBIN nog steeds onderzoek op de zeezoogdieren van onze Noordzee. Ze bestuderen zowel de levende dieren als de dieren die aanspoelen op het strand. Enkel door het beter leren kennen van de ecologie van zeezoogdieren en de bedreigingen waaraan ze blootstaan, kunnen we ze beter begrijpen - en meteen ook beter beschermen!
Aan boord van de BELGICA (het Belgische onderzoeksschip) onderzoeken wetenschappers zeezoogdieren tijdens de terugweg van lange onderzoekscampagnes. Daarbij werden tussen 2005 en 2008 voor de kusten van Spanje en Portugal en in de Golf van Biskaje honderden walvisachtigen waargenomen: van gewone dolfijnen tot grijze dolfijnen, grienden, vinvissen en zelfs potvissen.
“Maar ook dichter bij onze kust komen zeezoogdieren voor!”, vertelt Jan Haelters, wetenschappelijk medewerker bij het Noordzeedepartement van het KBIN. “De bruinvis, een kleine dolfijnsoort, is sinds enkele jaren opnieuw een vaste verschijning in onze wateren. In het voorjaar kan men ze gemakkelijk waarnemen op zee - geregeld zelfs van op het strand!”
Toch is het niet algemeen geweten dat de bruinvis inheems is in onze Noordzee. “Wanneer we op het strand het zoveelste kadaver van een aangespoelde bruinvis ophalen, krijgen we steevast vragen over de herkomst van het dier”, gaat Jan Haelters verder. “Mensen vragen zich af hoe ver het dier afgedwaald is van zijn gewone verspreidingsgebied, en of het misschien helemaal van de Middellandse Zee tot bij ons is gezwommen!”. Naast de bruinvis leven er nog een aantal andere dolfijnachtigen en zelfs een walvis in de Noordzee.
Medewerkers van het KBIN halen aangespoelde gewonde of zieke dolfijnen zo snel mogelijk op, en transporteren ze naar een dolfijnenopvangcentrum in Nederland. Daar worden de dieren verzorgd tot ze weer gezond genoeg zijn om te worden vrijgelaten.
Ook de dode aangespoelde zeezoogdieren worden opgehaald door het KBIN. Onze specialist-dierenarts Thierry Jauniaux voert een autopsie uit op de dieren, in samenwerking met de Universiteit van Luik. Met behulp van het onderzoek probeert men de doodsoorzaak vast te stellen. Weefselstalen worden genomen voor bijkomend onderzoek aan de Luikse en andere Belgische universiteiten en wetenschappelijke instellingen. Tanden worden gebruikt om leeftijden te bepalen, en maaginhouden geven informatie over het voedselregime. Referentiestalen van een groot aantal weefsels worden voor toekomstig onderzoek ondergebracht in de Zeezoogdieren-weefselbank die door het KBIN wordt beheerd.
“In België is er een uniek systeem van interventienetwerk, dat slechts in enkele landen wordt toegepast”, zegt Thierry Jauniaux. “Bij elke stranding, zeker bij strandingen van grotere dieren, schieten verschillende diensten tegelijkertijd in actie. Er is een bijzondere samenwerking met DG Leefmilieu: zij zorgen voor de technische ondersteuning bij strandingen van grote walvissen. Geregeld worden dode dieren vanuit het zuiden van Nederland en het noorden van Frankrijk binnen ons wetenschappelijk netwerk onderzocht. Op die manier krijgen we een beter beeld van de levenswijze van zeezoogdieren in de zuidelijke Noordzee, van de populatiegrootte en van de eventuele problemen waar ze mee kampen.”
Visnetten blijken de belangrijkste bedreiging voor kleine zeezoogdieren, zoals bruinvissen. Grotere walvissen spoelen aan omdat ze door een schip werden geraakt, of omdat ze, zoals de potvissen in 1994, niet kunnen overleven in onze ondiepe Noordzee. Er is veel aandacht voor ‘nieuwe’ bedreigingen: het steeds groeiende onderwatergeluid en de inbreng door de mens van nieuwe, natuurvreemde stoffen in het mariene milieu. Aan de hand van de resultaten van het onderzoek stelt het KBIN nieuwe beleidsmaatregelen voor, voor visserij, economie, recreatie en andere activiteiten op zee.