U bent hier: Home » ... » ... » 250 jaar natuurwetenschappen » Ontwikkelingssamenwerking en biodiversiteit, hand in hand

Ontwikkelingssamenwerking en biodiversiteit, hand in hand

Deze pagina naar iemand opsturen Deze pagina afdrukken
Titel: 250 jaar Natuurwetenschappen

Instellingen zoals het Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen beheren een haast ongrijpbare hoeveelheid informatie over de biologische diversiteit (zeg maar de veelheid van alle organismen) van de meest diverse regio’s. Zo bevat de collectie van het KBIN tientallen miljoenen specimens afkomstig van over de ganse wereld. Maar hoe kwam het KBIN aan dit materiaal?

Er werd als vanzelfsprekend ingezameld dicht bij huis, maar ook in overzeese gebieden en dan vooral in de koloniën in de tropen alwaar de biodiversiteit welig tiert. Tot voor enkele decennia geleden was het stramien van inzamelen vrij eenvoudig. De Belgische expert vertrok naar het ontwikkelingsland, bemonsterde en keerde terug huiswaarts met alle gegevens. Het ontwikkelingsland profiteerde nauwelijks van de voordelen die een betere kennis van hun biodiversiteit bood. Voor bevolkingen die op een vrij directe manier afhankelijk zijn van biologische diversiteit (bvb voor voedsel, medicatie, brandstof, etc.) is dit natuurlijk onbegrijpelijk. Zo werd ook ingezien door de VN wanneer die in 1992, op de Wereldtop in Rio de Janeiro, het Verdrag inzake biologische diversiteit ter ondertekening voorlegden. Dit Verdrag ijvert voor het behoud van de biodiversiteit, het duurzaam gebruik van de biodiversiteit en de eerlijke en billijke verdeling van de voordelen die de biodiversiteit biedt. Maar hoe kunnen landen in ontwikkeling, met hun geringe expertise inzake biodiversiteitsonderzoek, dit Verdrag hard maken? Capaciteitsopbouw, zo werd gesteld, is de sleutel die de deur naar een succesvolle implementatie openzet.

Hiervoor ijvert ook het KBIN, met de steun van de DG Ontwikkelingssamenwerking, via verschillende initiatieven. Het Wereldwijd Taxonomisch Initiatief (GTI, Global Taxonomy Initiative) zorgt voor een opbouw van taxonomische kennis teneinde het behoud, beheer en duurzaam gebruik van de biodiversiteit te onderbouwen. Het CHM (Clearing-House Mechanism) vergemakkelijkt de informatieuitwisseling tussen de landen die zijn aangesloten bij het Verdrag.

“Er bestaat een groot verschil tussen Westerse landen en ontwikkelingslanden,” vertelt Yves Samyn, Nationaal knooppunt voor het GTI. “Westerse landen bezitten veel kennis en documentatie, maar relatief weinig biodiversiteit. Anderzijds bezitten ontwikkelingslanden een enorme rijkdom aan biodiversiteit, maar ze missen de expertise om deze te bestuderen.”

“Toch is het in ontwikkelingslanden meer dan elders belangrijk om de biodiversiteit te beschermen, omdat de bevolking er rechtstreeks afhankelijk van is,” vult collega Han de Koeijer, Nationaal knooppunt voor het CHM aan. “Kap een boom, en je kan het hout gebruiken of verkopen. Maar tegelijkertijd kap je misschien ook in de voedselwinning. Het is belangrijk om op lange termijn te denken.”

Vanuit deze knooppunten worden ontwikkelingslanden op verschillende manieren geholpen. Door ondersteuning bij onderzoek en beleid, gerichte financiering en aangepaste training krijgt het natuurwetenschappelijk onderzoek in deze landen een duwtje in de rug.

Philippe Kok is één van de wetenschappers van het KBIN die lokale onderzoekers opleidt in het veld. Hij inventariseert de diversiteit van amfibieën en reptielen in het Kaieteur Nationaal Park in Guyana. “Soorten die niet werden ontdekt, bestaan niet voor de ogen van de wereld,” vertelt Philippe. “Het is dus een race tegen de klok om ze te beschrijven. Hoe meer soorten we beschrijven, hoe meer kans er is het Nationaal Park uit te breiden, en dus een groter deel van deze unieke plek en haar natuurlijke inwoners te beschermen.”

De ondersteuning van de DG Ontwikkelingssamenwerking maakt het mogelijk om lokale wetenschappers en studenten training in herpetologisch onderzoek te geven, zodat zij zelfstandig het onderzoek kunnen verderzetten. De opgedane kennis is ook voor het land zelf erg interessant. Ecotoerisme bijvoorbeeld kan voor Guyana een belangrijke bron van inkomsten worden. De regering heeft plannen om het Kaieteur Nationaal Park hiervoor open te stellen. Enkel door een nauwe samenwerking tussen Philippe en zijn Guyaanse collega’s, en door rekening te houden met de resultaten van hun onderzoek, kunnen deze plannen hand in hand gaan met een betere bescherming van de biodiversiteit.

 



 

 
Laatst gewijzigd : 01 oktober 2008