Spinnen en insecten op de Galápagos
De Galápagos eilanden werden wereldberoemd dankzij Charles Darwin, die er in 1835 vijf weken doorbracht tijdens zijn reis met het schip de Beagle. Zijn observaties van de fauna en flora waren een belangrijke inspiratiebron voor hem toen hij later zijn evolutietheorie formuleerde in zijn boek ‘On the origin of Species’.
Doordat de eilanden meer dan 1000 km van het vasteland verwijderd zijn, leven er heel veel soorten dieren en planten die nergens anders ter wereld voorkomen. Dit worden endemische soorten genoemd, met als bekendste voorbeeld de Galápagosreuzenschildpad.
Van over de hele wereld komen er wetenschappers naar de Galápagos om er de biodiversiteit te bestuderen. Léon Baert, arachnoloog bij het Museum, is één van hen. Al 28 jaar lang doet hij onderzoek naar de spinnen van de Galápagos.
“Het Museum heeft al lang een band met de Galápagos. In 1959 werd Victor Vanstraelen, de toenmalige directeur van het Museum, de eerste voorzitter van de Charles Darwin Foundation. Deze internationale organisatie biedt wetenschappers de kans om onderzoek te doen op de Galápagos en zet zich actief in voor het behoud van de natuur op de eilanden. Dankzij de Charles Darwin Foundation ben ik in 1982 voor de eerste keer op expeditie naar de Galápagos kunnen gaan. Sindsdien ben ik nog 10 keer terug gegaan, de meest recente expeditie was begin 2010. Je zou dit onderzoek dus eigenlijk mijn levenswerk kunnen noemen.”
“Expedities naar de Galápagos kosten veel tijd, geld en moeite,” zegt Léon. Daarom werken we steeds in groep, er gaan niet enkel spinnenonderzoekers mee, maar ook wetenschappers die onder andere mieren of loopkevers bestuderen. Toen ik begon in de jaren ’80 was er nog bijna niets gekend over de spinnen van de Galápagos. Het eerste wat er moest gebeuren was alle eilanden bezoeken en op zoveel mogelijk plaatsen spinnen vangen. Hierdoor slaagden we erin om alle populaties in kaart te brengen. Tijdens de jaren ’90 zijn we dan gestart met moleculair onderzoek aan de hand van allozymen. Dit zijn eiwitten waarmee de mate van verwantschap tussen soorten kan worden nagegaan. Vanaf 2000 zijn we dan begonnen met DNA-onderzoek, waarmee we de genetische relaties tussen verschillende populaties en verschillende soorten proberen te achterhalen, om op die manier een beeld te krijgen hoe ze in de loop van de evolutie ontstaan zijn.”