Expeditie in het Noordpoolgebied - pagina 5
Victor is terug op de boot. Het echte veldwerk moet weer beginnen. We halen de fuiken razendsnel van de duikboot en leggen ze in bakken vol zeewater. De skeletten van het aas zitten letterlijk vol vlokreeftjes. In de koelkamer doen we de fuiken open en sorteren we eerst ruwweg. De dieren die nog leven komen zo vlug mogelijk in aquaria terecht. Hierop doen we later proeven in verband met hun voedingsgedrag. Een deel van de dode dieren wordt op formol gezet voor morfologisch onderzoek. De rest dient voor moleculair onderzoek (DNA-extractie en -amplificatie); deze dieren moeten in ongedenatureerde spiritus. Deze op meer dan 2500 meter diepte genomen monsters zijn heel waardevol: hiermee kunnen we een onderzoek voeren naar de oorsprong en de determinanten van de biodiversiteit in de diepzee in de poolgebieden.
Nu Victor niet meer hoeft te duiken, vervolgt de Polarstern zijn weg naar het noorden om er met klassiekere instrumenten te monsteren, zoals de reuzendooskernboor, de meervoudige kernboor of de rozet. Helaas bedekt drijvend pakijs het bemonsteringspunt, dat ongeveer vier mijl van de ijsgrens verwijderd is. Met de vier motoren op volle kracht valt de Polarstern de ijslaag aan. De boot vaart op de ijsbank en valt er met heel zijn gewicht op neer. Het ijs breekt in grote stukken en wordt naar achter en opzij geduwd. Polarstern kreunt en gromt, maar hij vertraagt. Uiteindelijk stopt hij en maakt op een indrukwekkende wijze slagzij, terwijl een zeehond het hele schouwspel van op honderd meter afstand stomverbaasd gadeslaat. Hoewel de ijsbreker zonder noemenswaardige vertraging door een anderhalve meter dikke laag ijs kan varen, valt het hier blijkbaar niet mee om door dit pakijs te geraken. De Polarstern vaart achteruit, neemt snelheid en bijt opnieuw in het ijs. Twee uur lang gaat dit zo onderbroken heen en weer, tot de leider van de zending beslist er mee op te houden. De wil van de natuur is wet.
Onder de middernachtzon zijn we bijna aan een nieuw zuidelijker gelegen bemonsteringspunt aangekomen. Opeens weergalmen de luidsprekers van de Polarstern: "IJsbeer zwemt aan bakboord, op minder dan vijftig meter". Zelfs voor de collega's die het in het poolgebied gewoon zijn is het een uitzonderlijke gebeurtenis (maar kan men deze prachtige landschappen eigenlijk wel gewoon worden?). De Polarstern vertraagt en valt stil. Het is net of de door de geur verlokte beer spreekt: "Dag heren van de Polarstern. Wat lijken jullie mooi; wat lijken jullie goed." Daarop komt hij uit het water en gaat in de richting van de boot. Hij snuift de lucht en houdt op minder dan dertig meter stil, buiten zichzelf van de geuren uit de ijsbreker. Terwijl het anders op de Polarstern dag en nacht bruist van activiteit en de bemonsteringen elkaar onophoudelijk opvolgen, houdt alles ineens op. Pas als het bevel tot vertrekken gegeven wordt, wendt iedereen aan boord zijn blik vol spijt af van dit dier dat er als een lobbes uitziet. Die magische ogenblikken wissen de sporen uit die vaak lawaaierige nachten en het ondankbare werk achterlaten, het werk in formoldampen, met door modder en zout water beschadigde handen, soms uren opgesloten in een container bij een temperatuur van 1 °C...